Begin bij visie en missie
Hoewel de visie en missie minder concreet zijn geformuleerd, is een duidelijke visie een goed handvat voor de discussie over de doelstellingen.
Bij het benoemen van doelstellingen gaat het om het meetbaar maken van de gewenste maatschappelijke prestatie met de vastgoedportefeuille. Het gaat hierbij om de vertaling van input naar output en van output naar outcome.
Hierbij bestaat de input uit de beschikbare middelen waarmee de organisatie haar activiteiten ontplooit, de output uit concrete resultaten die met de middelen geleverd worden en de outcome uit de maatschappelijke prestaties die bereikt worden. ![]()
Over het algemeen zijn de doelstellingen het beste te operationaliseren aan de hand van de output. Om de doelstelling te concretiseren, moet duidelijk zijn op welk aspect van het vastgoed de doelstelling betrekking heeft en welke prestatie op welke termijn gewenst is.
Voorbeeld
Het verminderen van de CO2-uitstoot met 20% in 2020 kan een maatschappelijke prestatie zijn (outcome). Deze wordt geoperationaliseerd door bijvoorbeeld de gewenste energetische kwaliteit binnen de vastgoedportefeuille in 2020 te benoemen op basis van de energielabels (output), die bekend én meetbaar zijn.
De doelstellingen worden bewust apart van mogelijke strategieën bepaald. In principe zijn strategieën als verkoop of sloop van woningen dan ook geen doelstellingen, maar strategieën, waarmee doelstellingen mogelijk behaald kunnen worden.
Welke strategieën?
Als de doelstellingen zijn bepaald, volgt de vraag: welke strategieën worden ingezet binnen de vastgoedportefeuille? Daarnaast benoemt u per strategie de randvoorwaarden. Zo maakt u een strategie afhankelijk van een woningtype, huurprijs, verkoopwaarde, etc. Hierbij gaat het om de vraag wanneer een strategie wel kan worden ingezet, maar vooral ook wanneer niet.
Hoe concreter de randvoorwaarden worden bepaald bij het wel of niet toepassen van een strategie, des te transparanter zal de afweging in een later stadium zijn.
Piketpalen van het speelveld slaan
Als u de strategieën en randvoorwaarden heeft benoemd, bepaalt u de optionele strategieën per complex. Dit doet u deels o.b.v. de randvoorwaarden bij een bepaalde strategie (top-down) en deels o.b.v. kennis van de afzonderlijke complexen (bottom-up).
Over het algemeen ontstaat een verdeling binnen de vastgoedportefeuille van enerzijds complexen waarvan de toekomstige strategie duidelijk is (dit betreft vaak goede en ook hele slechte complexen) en anderzijds complexen waarvan de kwaliteit twijfelachtig is en waarvoor veel verschillende strategieën kunnen worden benoemd(herontwikkelen, investeren, afstoten e.d.).
Varianten opstellen
Op basis van de mogelijke strategieën stelt u een aantal varianten op. De varianten worden opgesteld op het niveau van de vastgoedportefeuille.
Binnen een variant heeft elk (deel) complex één strategie. De verschillen tussen de varianten zijn bijvoorbeeld:
- min./max. verkoopprogramma
- min./max. sloopprogramma etc. ![]()
Het minimale programma voor een bepaalde strategie wordt gevormd door alle (deel)complexen die deze strategie als enige optie hebben (deze (deel)complexen zullen in alle varianten dezelfde strategie kennen). Het maximale programma wordt gevormd door de complexen uit de minimale variant, aangevuld met alle complexen waar deze strategie een mogelijke optie is (van deze (deel) complexen zal de strategie kunnen verschillen per variant).
Ga naar stap 3 uit de beleidscyclus: Simulatie
